Kijken naar dans! Wat zie ik?

Kijken naar dans met leerlingen

  • Lesdoelen
    • De leerlingen onderscheiden verschillende dansstijlen en kunnen deze benoemen.
    • De leerlingen benoemen de verschillen tussen de diverse choreografieën op het gebied van de dans zelf, de dansers, kostuums, muziek, en het decor.
    • De leerlingen kunnen beschrijven welke associaties de dansfragmenten bij hen oproepen.
    • De leerlingen gebruiken de fragmenten als inspiratie voor eigen dansideeën.
    • De leerlingen kunnen een beschouwingsgesprek voeren en betekenis geven aan de dansfragmenten vanuit de elementen tijd, ruimte en kracht
  • Benodigdheden
    • Antwoordenblad
  • Waar denk je aan bij het woord ‘dans’?
  • Welke dansstijlen ken je? Noem er een aantal.
  • Ben je weleens naar een dansvoorstelling geweest?
  • Dans je thuis weleens, of zit je op dansles?
  • Welke dansstijl zie je?
  • Waar gaat dit dansstuk over?

    Zie je in het dansstuk een duidelijk verhaal? Waar denk jíj dat het over gaat? Zou de choreograaf met dit stuk een bepaalde boodschap hebben?

  • Waar denk je aan als je dit dansstuk bekijkt?

    Een dansmoment kan iets bij je oproepen, dit noemen we een associatie. Het betekent dat je het automatisch verbindt met iets anders in je hoofd, of met een gevoel. Het gaat dus vooral om je eigen interpretatie. Je kunt bijvoorbeeld een associatie krijgen door de rolverdeling van de dansers. Of door de kostuums, het decor of de sfeer. Er zijn choreografieën die wél kiezen voor een helder verhaal, maar er zijn ook choreografen die het overlaten aan de interpretatie (dus de associaties) van de toeschouwer. Welke associaties roept dit fragment bij je op als je kijkt naar de dans zelf, de dansers, kostuums, het decor of de sfeer?

  • Welke verschillen zie je tussen de dansfragmenten?

    Denk bijvoorbeeld aan verschillen tussen de dansers zelf, de dansbewegingen, de kostuums, het decor en de muziek.

  • Welke dansbeweging vond je inspirerend?

    Kies een dansbeweging uit een van de filmfragmenten die je mooi, inspirerend of interessant vindt. Doe eens voor wat je zag.

  • Wat is een choreografie?

    Een choreografie is een dansstuk, waarin de ideeën van de maker een plaats hebben gekregen. Een choreograaf kiest de muziek, de manier waarop dansers de ruimte gebruiken, het decor, de kostuums en de belichting die het beste passen bij wat hij wil vertellen.

    De ene choreografie vertelt een verhaal. Maar er zijn ook choreografieën die over dansen zelf gaan. Er is dan bijvoorbeeld sprake van een fysiek thema als ‘steunen en leunen’, of het kan gaan om het improvisatievermogen van de dansers.

    Elke toeschouwer die het dansstuk ziet kan er iets anders in zien. Iedereen heeft zijn eigen associaties, afhankelijk van de eigen ervaringen. De interpretatie van de toeschouwer kan daarom anders zijn dan de bedoeling die de choreograaf met het dansstuk heeft.

Ruimte

  • De danser maakt vormen en ruimtelijke patronen (cirkels, rechte lijnen, etc.)
  • De danser beweegt in een richting (naar voren, naar links, diagonaal, etc.).
  • De danser beweegt in verschillende lagen: hoog (springen, op de tenen), midden (gebogen romp, knieën licht gebogen), laag (liggen, kruipen, rollen).
  • De vorm van het lichaam in de ruimte (open of gesloten, groot of klein, symmetrisch of asymmetrisch)
  • De danser beweegt in de ruimte (achter of voor, aan de kant, in het midden)

Tijd

  • Bewegingen kunnen snel, razendsnel, langzaam of heel langzaam worden uitgevoerd.
  • De danser kan gebruikmaken van vertraging, herhaling, stops, slow motion.
  • Hij voert de bewegingen met een bepaalde regelmaat uit of juist onregelmatig; kort/plotseling of lang/aangehouden.
  • Iedere beweging heeft een begin, een verloop en een einde: frasering.

 

Kracht

Hoe gebruikt de danser spierkracht, coördinatie en energie?

  • Hij beweegt licht of zwaar.
  • Er is sprake van spanning of ontspanning, controle of loslaten, een sterke of zwakke beweging (dynamiek).

Dansen in tweetallen

 

  • Maak tweetallen
  • Elk tweetal verzint een danspas waarin duidelijk een van de danselementen te zien is: tijd, kracht of ruimte.
  • Kies zelf je muziek.
  • Je mag het combineren met de andere elementen, maar het gekozen danselement moet duidelijk naar voren komen.
  • Onthoudt de danspas voor de les met de dansdocent!
Neem de pas op met je mobiele telefoon om hem niet te vergeten!
  • Extra opdracht: Het Zwanenmeer

    In 1877 werd Het Zwanenmeer voor het eerst opgevoerd. Een heel bekende choreografie, die valt onder het romantisch (klassiek) ballet. Er is een duidelijk verhaal, veel vaste regels en een groots decor met rekwisieten. Tutu’s, maillots, spitzen, indrukwekkende pirouettes, lenigheid en hoge sprongen zijn kenmerken van klassiek ballet. Kijk naar het fragment en geef je mening.

    • Welke associaties heb je bij dit fragment?
    • Zou je naar het theater gaan om Het Zwanenmeer te zien? Waarom wel/niet?

Nieuwe dansstijlen

 

Door samenwerking tussen verschillende choreografen, behoefte aan vernieuwing, invloeden en veranderingen in onze samenleving zijn er zogeheten fusions of cross-overs ontstaan.

Zoek een dansfragment waarin sprake is van een cross-over of fusion. Laat je vondst zien in de klas en licht toe waarom jullie denken Waarom denk je dat dat een cross-over is?